In de koraalzee aan de oostkust van Australië maak ik kennis met een wel heel bijzonder dier, de nautilus! Dit is de enige nog levende inktvissensoort met een uitwendige schelp.

Nautilussen worden gezien als levende fossielen, omdat ze al meer dan 500 miljoen jaar nauwelijks zijn veranderd. Overdag zitten ze op 800 meter diepte in de Grote Oceaan, maar ’s nachts migreren ze naar ondiepere stukken op zoek naar voedsel. Het is niet makkelijk om tussen deze grote diepteverschillen te manoeuvreren. Nautilussen hebben daar een elegante oplossing voor. Ze hebben hun ‘buitenboordschelp’ namelijk niet alleen als veiligheid tegen roofdieren. Er zitten allerlei kamers in de schelp, die ze met water of met lucht kunnen vullen. Hiermee regelen ze hun drijfvermogen en kunnen ze zich zonder problemen naar boven en beneden bewegen tussen grote diepteverschillen. Daarnaast zwemmen ze door water uit te stoten als een soort jet, en zo doorkruisen ze ’s nachts de koraalriffen op zoek naar voedsel zoals krabbetjes en kreeftjes. Met hun negentig tentakels pakken ze deze beestjes vast in een ijzeren greep, en dan bijten ze er stukken af met hun papegaaiachtige snavel.

Mét overkapping

Als ze zich volledig terugtrekken in hun schelp kunnen ze deze afsluiten met een soort leerachtig kapje dat bestaat uit twee speciaal gevouwen tentakels. Zodra de nautilus geheel in z’n schelp zit, is hij redelijk veilig, want de schelp is keihard! Alleen bepaalde vissen, zoals de trekkersvissen, hebben sterke witte tanden waarmee ze de schelp van een nautilus kapot kunnen bijten. Dat is logisch, want er is in de natuur altijd een baas boven baas!